Vingerartrose

Vingerartrose

Artrose of gewrichtsslijtage komt het vaakst voor in de eindgewrichten van de vingers (distale interfalangeale gewrichten of DIP) en minder vaak in de proximale interfalangeale (PIP) en metacarpofalangeale gewrichten (MCP).

Vingerartrose kan pijn en zwelling van de vingers veroorzaken. De vingers kunnen geleidelijk scheef gaan staan en de beweeglijkheid van de gewrichten kan verminderen. Vaak ontstaan er ook benige verdikkingen ter hoogte van de eindgewrichten, de zogenaamde Heberden-noduli. Deze moeten worden onderscheiden van met vocht gevulde mucoïde cysten, die eveneens bij vingerartrose kunnen voorkomen.

Onderzoek
Een standaard röntgenfoto (RX) van de vinger toont de mate van kraakbeenverdunning, eventuele botaanwas (osteofyten) en de kwaliteit van het bot.

Behandeling

Niet-chirurgisch
Pijnklachten door vingerartrose kunnen behandeld worden met pijnmedicatie, het dragen van een brace of spalk, en eventueel met een intra-articulaire infiltratie met een cortisonepreparaat.

Chirurgisch
Er bestaan verschillende chirurgische behandelingen voor vingerartrose.

  • Artrodese (vastzetoperatie): vooral toegepast bij artrose van het DIP-gewricht. Dit verlicht de pijn en veroorzaakt meestal weinig functieverlies.
  • Gewrichtsprothese: mogelijk bij artrose van het PIP- en MCP-gewricht. Dit vermindert de pijn en behoudt de beweeglijkheid, maar verbetert deze meestal niet.

Bij ernstige misvorming of bij patiënten die hun handen zwaar belasten, kan ook ter hoogte van de PIP- en MCP-gewrichten een artrodese worden uitgevoerd.

Deze ingrepen gebeuren meestal in dagkliniek en vereisen doorgaans geen algemene narcose.

Additionnal informationTerug naar de vorige pagina